printPDF

Verzurende depositie, 1981-2012

De verzurende depositie bedroeg in 2012, gemiddeld over Nederland ruim 2500 mol potentieel zuur per ha. De depositie is sinds 1981 met 55% afgenomen. Dat was vooral te danken aan vermindering van de uitstoot van zwaveldioxide.

  • Depositie 2012
Verzurende depositie
  • Trend 1981-2012
Verzurende depositie
Download figuurdata (MS Excel formaat)

Landelijk beeld in 2012

Regionaal komen grote verschillen voor in de depositie van verzurende stoffen. Vooral in gebieden met intensieve veehouderij, zoals de Peel en de Gelderse Vallei, kunnen deposities van maximaal 7.000 mol respectievelijk 5.800 mol per hectare voorkomen. Deze hoge depositie wordt vooral veroorzaakt door de hoge ammoniakuitstoot (NH3) ter plaatse. De hoge emissie van zwaveldioxide (SO2) en van stikstofoxiden (NOx) in het Rijnmondgebied is de oorzaak van de hogere depositie in dat gebied. Verder vertonen de depositiekaarten duidelijke verhogingen in het stedelijk gebied als gevolg van de verkeersemissies van stikstofoxiden (NOx) aldaar.

Trend

De landelijk gemiddelde depositie van verzurende stoffen is sinds 1981 meer dan gehalveerd. In het begin van de jaren tachtig bedroeg de zure depositie, gemiddeld over Nederland, nog 5.600 mol per hectare, in 2000 was dit al gedaald naar 3.300 en in 2012 nog verder afgenomen naar 2.500 mol per hectare.
 
De depositie van verzurende stoffen is de afgelopen dertig jaar vooral afgenomen door de sterke reductie van de uitstoot van zwaveldioxide. De emissies van stikstofoxiden en ammoniak zijn minder sterk gedaald. Het relatieve belang van de stikstofverbindingen (afkomstig van de emissies van ammoniak en stikstofoxiden) in de zuurdepositie, is door deze ontwikkelingen toegenomen van 52% in 1981 naar 73% in 2012. De Nederlandse landbouw draagt inmiddels 31% bij aan de verzurende depositie. Zie ook Herkomst verzurende depositie, 2012.
 
Belangrijke oorzaken van de daling van de depositie op langere termijn zijn:
  • Een sterke reductie van de zwaveldioxide-emissie in binnen- en buitenland sinds 1980. Voor 1990 namen zwaveldioxide-emissies sterk af door overschakeling van kolen op gas door raffinaderijen en energiecentrales. Maatregelen als rookgasontzwaveling hebben geleid tot een verdere daling van de zwaveldioxide-emissies. De reductie van de zwaveldioxide-emissie in Nederland sinds 1980 bedraagt 85%; in West-Europa 75%.
  • De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1980 met 40%; in West-Europa met 30%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer, zoals de invoering van de katalysator aan het eind van de jaren tachtig, bij de industrie en in de energiesector.
  • De emissie van ammoniak door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met 50% gedaald; in West -Europa met 10%. Vooral de laatste tien jaar hebben emissiebeperkende maatregelen in Nederland voor een daling gezorgd. Tot deze maatregelen behoren verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending.

Van jaar tot jaar voorkomende variaties in meteorologische omstandigheden kunnen, bij gelijke emissies, overigens tot fluctuaties in de depositie van de orde van grootte van 10% leiden. Voor meer gedetailleerde informatie over de ontwikkeling van de emissies van verzurende stoffen in Nederland zie Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 - 2012.

Beleid

Het Nederlandse beleid richt zich op de NEC-plafonds waarmee impliciet ook bepaalde depositieniveaus worden gerealiseerd. Daarnaast wordt specifiek beleid ontwikkeld voor duurzame instandhouding van Natura 2000-gebieden in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma is opgezet om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten afnemen. De PAS beoogt bovendien om economische ontwikkeling samen te laten gaan met de realisatie van de natuurdoelen voor Natura 2000.
 
In juni 2012 is het 'Monitoringsplan Programmatische Aanpak Stikstof op hoofdlijnen' verschenen. Dit betreft een operationeel monitoringsplan dat de uitvoering van maatregelen in de PAS en de gevolgen van het beleid zoals dat in de PAS is uitgestippeld moet gaan volgen. De PAS moet inzicht geven in de omvang van de stikstofproblematiek en het mogelijke gebruik van de ontwikkelruimte. Het PAS-programma geeft ook, in combinatie met herstelstrategieën, richting aan het opstellen van beheerplannen die gemaakt worden voor de Natura 2000-gebieden. De beheerplannen moeten ertoe leiden dat de natuurkwaliteit niet verder achteruitgaat en dat habitats in een goede staat van instandhouding worden gebracht.
 
Voor meer informatie over het beleid op het terrein van verzurende stoffen zie ook de indicator Vermesting en verzuring: beleid.

Effecten

De verzurende en vermestende stoffen kunnen de natuur beïnvloeden. Zo kunnen de stoffen planten en bomen vatbaarder maken voor ziekten, stormschade en droogte. Door verandering in bodemcondities kan ook de natuurlijke soortensamenstelling van de vegetatie veranderen. Voorbeelden zijn de vergrassing van heide en open duinen. Verzuring en vermesting verminderen ook de kwaliteit van het grondwater.
 
De risico's en de effecten van vermesting en verzuring worden tegenwoordig beoordeeld aan de hand van het begrip kritisch depositieniveau, ook wel aangeduid met kritische depositiewaarde of critical load. Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen.
 
Voor meer informatie over de effecten van verzurende stoffen zie de indicator Vermesting en verzuring: oorzaken en effecten.
  •  
Referenties en relevante info

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Verzurende depositie

Omschrijving

Verzurende depositie in Nederland per 1 x 1 km.

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Zie rapportage over de uitkomsten van de GCN-berekeningen

Basistabel

Reken- en Informatiesysteem Lucht van het Centrum voor Milieumonitoring van het RIVM

Geografisch verdeling

De kaart en de trend zijn gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen.

Andere variabelen

Stikstofdepositie

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2011. (Velders et al., 2011; zie bij 'Referenties').

Opmerking

1] Begin 2010 is op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten een herziene methodiek ingevoerd voor het berekenen van de depositie van gereduceerd stikstof (NHx). Daarnaast is een wijziging in het bijtellingssysteem doorgevoerd. De nu gepresenteerde cijfers wijken daarom af van wat eerder door het Planbureau voor de Leefomgeving is gepubliceerd. De zure depositie komt op jaarbasis volgens de nieuwe inzichten gemiddeld 220 mol per hectare lager uit. De depositie is, afhankelijk van het jaar, 0 tot 9 (gemiddeld 5) procent minder dan voorheen is berekend. 2] De mate van verzuring wordt in Nederland uitgedrukt in zogeheten potentieel zuur. Potentieel zuur is gedefinieerd als de maximale verzuring, die zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak en hun omzettingsproducten in bodem en water teweeg kunnen brengen. De daadwerkelijke verzuring in bodem en water kan lager zijn. Deze hangt af van een aantal processen en van de opname van de stoffen door planten. 3] Het vermogen van een stof om verzurend te werken, wordt meestal uitgedrukt in zuurequivalenten per hectare (z-eq/ha). Een zuurequivalent is een maat voor de hoeveelheid zuur (H+ in mol/ha) die kan ontstaan in bodem of water. Hierbij geldt: 1 mol zwaveldioxide levert 2 mol zuur, 1 mol stikstofoxiden levert 1 mol zuur en 1 mol ammoniak levert 1 mol zuur. 4] Er is soms verwarring over de verzurende werking van ammoniak. In de atmosfeer werkt ammoniak zuurneutraliserend. Komt ammoniak (of het omzettingsproduct ammonium) echter in de bodem dan kan het omgezet worden in salpeterzuur. Er is dan alsnog een verzurend effect.

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting met modelberekeningen, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). Trend 1990-2012: C (Schatting met modelberekeningen, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Referentie van deze webpagina: CBS, PBL, Wageningen UR (2013). Verzurende depositie, 1981-2012 (indicator 0184, versie 13, 29 oktober 2013). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

Deel deze pagina: