printPDF

Ozon in lucht en volksgezondheid, 1990-2012

De ozonconcentraties liggen onder de streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid. Vooral in de eerste helft van de negentiger jaren zijn de ozonconcentraties sterk afgenomen. De laatste jaren laten geen verdere daling zien.

  • Gemiddelde 2010-2012
Blootstelling bevolking aan ozon
  • Trend 3-jaarsgemiddelde
Dagen met 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven 120 µg/m³, gemiddeld over drie jaar
Download figuurdata (MS Excel formaat)
  • Trend jaargemiddelde
 Aantal dagen met 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven 120 µg/m³, op jaarbasis
Download figuurdata (MS Excel formaat)

De situatie in 2012

De Europese streefwaarde voor blootstelling van de bevolking aan hoge ozonconcentraties (O3) bedraagt 120 µg/m3 voor de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie per dag. Deze concentratie mag vanaf 2010, gemiddeld over drie jaar, niet vaker dan 25 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De doelstelling voor de lange termijn - overigens zonder richtjaar - is dat de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie op geen enkele dag in een kalenderjaar meer boven de 120 µg/m3 komt.
 
De kaart voor 2012 is gebaseerd op waarnemingen op de regionale meetstations. De ruimtelijke verdeling van de ozonconcentraties over Nederland in 2012 en gemiddeld over de laatste drie jaar verschilt in relatieve termen niet veel. Het driejarig gemiddelde over de jaren 2010 t/m 2012 ligt in geheel Nederland onder de streefwaarde. De langtermijndoelstelling wordt echter nog steeds overschreden.
 
Het hoogste aantal dagen met een 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven de 120 µg/m3, is in 2012 (14 maal) gemeten op twee regionale stations in Gelderland. In het westen en noorden van Nederland was het aantal overschrijdingsdagen het laagst. Het regionale beeld kan overigens van jaar tot jaar sterk verschillen. Wel is het zo dat in stedelijke gebieden in het algemeen minder overschrijdingen worden gemeten. In steden leiden de verhoogde emissies aan stikstofoxiden (onder andere door het verkeer) tot een atmosferisch-chemische reactie waarbij de ozonniveaus lokaal worden verlaagd.

Driejarig versus jaargemiddelde

De grote jaarlijkse variaties in ozonconcentraties wordt vooral veroorzaakt door verschillen in weersomstandigheden. Tijdens warme dagen met weinig wind, veelal uit oostelijke of zuidelijke richting zijn de omstandigheden gunstig voor ozonvorming. In jaren met veel zomerse dagen, zoals 1994, 1995, 2003 en 2006, komen vaker hoge ozonconcentraties voor dan gedurende jaren met minder zomerse dagen.
 
Om nu te beoordelen of er sprake is van normoverschrijding wordt een driejarig gemiddelde berekend waardoor voor de invloed van de weersomstandigheden rekening wordt gehouden. Een driejarig gemiddelde geeft daarom een beter beeld van structurele veranderingen in het aantal overschrijdingsdagen bijvoorbeeld ten gevolge van het Europese emissiereductiebeleid.
 
Voor het beoordelen van de blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten voor de mens is uiteraard het actuele aantal overschrijdingsdagen van belang. Daarbij valt zelfs niet uit te sluiten dat gezondheidseffecten door ozon juist op hete dagen extra optreden omdat de gevoelige groepen al lijden onder de hittestress.

Informatie- en alarmdrempel voor ozon

De Europese regelgeving kent voor ozon een informatie- en een alarmdrempel. De informatiedrempel voor ozon ligt op een uurgemiddelde concentratie van 180 µg/m³. Boven dit niveau wordt er in Nederland gesproken van matige smog (zie ook onder). Als er matige smog door ozon wordt verwacht of ontstaat, moet de overheid informatie over de luchtkwaliteit verspreiden. Men beoogt hiermee de gezondheidsrisico's van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen te beperken.
 
De alarmdrempel voor ozon ligt op een uurgemiddelde concentratie van 240 µg/m³. Boven dit niveau wordt er in Nederland gesproken van ernstige smog (zie ook onder) en kunnen er gezondheidsrisico's voor de gehele bevolking zijn.
 
Naast voorlichting kunnen er ook tijdelijke maatregelen door het bevoegd gezag worden afgekondigd om de duur en de ernst van de smogsituatie te beperken. In Nederland hebben tijdelijke maatregelen nauwelijks effect op de ozonconcentraties (Smeets & Beck, 2002) en is het niet verplicht om kortetermijnactieplannen te hebben. De frequentie van smog en de ernst ervan wordt gepoogd te verminderen door structurele maatregelen te nemen, zoals een blijvende vermindering van de uitstoot van ozonvormende stoffen door bijvoorbeeld het verkeer en de industrie.
 
In Nederland gebeurt de informatievoorziening over smog via internet (RIVM > smog), Teletekst, pagina 711 en met persberichten. Het RIVM brengt op routinematige basis ook een verwachting voor de maximale ozonconcentraties in de komende twee dagen uit.

Ozon en gezondheid

Blootstelling aan ozon in de buitenlucht kan leiden tot schadelijke effecten op de gezondheid van de mens. Kortdurende blootstelling aan verhoogde ozonconcentraties gedurende perioden met zomersmog staat in verband met toename van luchtwegklachten, verergering van astma en meer medicijngebruik, longfunctiedaling en ontstekingsreacties, meer ziekenhuisopnames en vroegtijdige sterfte. Kinderen, ouderen en personen met hart- en luchtwegaandoeningen behoren tot de risicogroepen voor effecten van ozon vanwege hun verhoogde gevoeligheid. Mensen die zich in de namiddag of vroege avond - wanneer de ozonconcentraties het hoogste zijn - langdurig (zeer) lichamelijk inspannen, vormen een risicogroep vanwege hun verhoogde blootstelling. De meest eenvoudige manier om blootstelling te verminderen is door tijdens een smogperiode rustig binnenshuis te blijven. In huis liggen de concentraties lager.
 
Onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2005) heeft bevestigd dat de herhaalde blootstelling aan ozon mogelijk leidt tot een blijvende verminderde werking van de longen. Gezondheidskundig onderzoek geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er een drempelwaarde bestaat, dat wil zeggen, een ozonconcentratie waar beneden geen effecten op de menselijke gezondheid zijn te verwachten. Ook lage concentraties hebben dus mogelijk een nadelig effect. De WHO stelt een concentratie van 100 µg/m³ voor als maximaal toelaatbaar 8-uursgemiddelde. Deze concentratie biedt volgens de WHO voldoende bescherming voor de gezondheid, hoewel enige gezondheidseffecten ook beneden deze concentratie mogelijk zijn.

Ozonconcentraties nemen niet langer af

De waarnemingen in Nederland en ook elders in Europa in de eerste helft van de jaren negentig laten een duidelijke afname in het aantal dagen met een hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven de 120 µg/m3 zien. De meest waarschijnlijke oorzaak hiervoor is de aanzienlijke reductie van de uitstoot van ozonvormende stoffen in Europa. Sinds het begin van deze eeuw is er echter in Nederland, maar ook elders in Europa, nauwelijks een verdere daling van de ozonconcentraties te zien, terwijl er toch nog steeds een verdere reductie in uitstoot plaatsvindt. De jaargemiddelde concentratie op verkeersbelaste en stedelijke achtergrondstations laat een geringe stijging zien, voornamelijk doordat het verkeer nu minder stikstofoxiden uitstoot waardoor minder ozon wegreageert.
 
Er zijn een aantal mogelijke oorzaken aan te geven die de positieve effecten van de Europese emissiereducties teniet doen: a) toenemende concentraties van ozon en ozonvormende stoffen door toenemende emissies op het noordelijk halfrond (vooral in Azië) en b) veranderingen in de klimatologie en de chemische interactie tussen ozon en stikstofoxiden op lokale schaal. Hogere temperaturen die leiden tot hogere emissies van biogene vluchtige organische stoffen, zorgen voor een snellere ozonvorming en - indien gepaard met droogte - tot een verminderde depositie van ozon, spelen mogelijk ook een rol.
 
Volgens een rapport van het Europees Milieu Agentschap draagt intercontinentaal transport 10-30% bij aan de ozonconcentraties op leefniveau.

Relatie ozonnorm en emissiebeleid

De Europese Unie heeft de streefwaarde voor 2010 gekoppeld aan een maximaal toegestane uitstoot van de ozonvormende stoffen Vluchtige Organische Stoffen (VOS) en stikstofoxiden (NOx) per EU-land. Deze plafonds zijn vastgelegd in de zogenaamde National Emission Ceiling (NEC) richtlijn. Een evaluatie van het Europees Milieu Agentschap laat zien dat naar verwachting de totale emissie in de EU27 ongeveer 10% onder het emissieplafond voor Vluchtige Organische Stoffen voor de EU27 als geheel (berekend als de som van de emissieplafonds voor de individuele landen) zal liggen, hoewel 4 van de 27 EU-landen aangeven dat hun emissies de gestelde nationale plafonds zullen overschrijden. Nederland zal overigens voldoen aan het afgesproken VOS-emissieplafond van 185 kiloton.
 
Volgens het Europese Milieu Agentschap is het beeld voor stikstofoxiden anders: 12 van de 27 EU-lidstaten hebben hier problemen. Voor de EU27 als geheel zal de emissie vermoedelijk 6% boven het gestelde EU27-plafond (berekend als de som van de emissieplafonds voor de individuele landen) uitkomen. Uit gegevens van de Emissieregistratie blijkt dat de NOx-emissies in Nederland (mede door de recessie) vanaf 2011 waarschijnlijk onder het NEC-plafond van 260 kiloton liggen.
 
CAFE is een programma van de Europese Commissie om de luchtkwaliteit in de Europese Unie te verbeteren tot een niveau waarbij 'geen significant negatieve effecten' meer optreden voor de menselijke gezondheid en het milieu. De CAFE thematische strategie is onderbouwd met berekeningen die zijn uitgevoerd met het GAINS model. GAINS is het model voor luchtverontreiniging dat de Europese Commissie gebruikt voor onderbouwing van nieuw luchtverontreinigingsbeleid.
De huidige NEC-richtlijn zal in 2013 worden herzien. Vooruitlopend daarop zijn in mei 2012 in het kader van de UN-ECE nieuwe afspraken over een herziening van het Gotenburg Protocol gemaakt. Hierbij zijn nieuwe emissiedoelen voor luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en vluchtige organische stoffen) voor 2020 (en daarna) afgesproken.
De nieuwe doelen voor 2020 zijn vastgelegd als een reductieverplichting in 2020 ten opzichte van de emissie in 2005. Dit betekent een verschil met de huidige doelen voor 2010 die waren geformuleerd als een absoluut emissieplafond. Relatieve doelen bieden meer flexibiliteit voor landen, omdat wijzigingen in emissiecijfers (vaak) doorwerken in zowel het basisjaar als het zichtjaar. Voor ozonvorming zijn de emissiereductieverplichtingen voor stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen relevant. Deze bedragen voor stikstofoxiden 45% (ofwel vanaf 2020 een emissieniveau lager dan 203 kiloton) en voor vluchtige organische stoffen 8% (ofwel vanaf 2020 een emissieniveau lager dan 167 kiloton)
 
De uitkomsten van berekeningen laten zien dat bij bestaand Europees beleid het aantal voortijdige doden in Nederland door blootstelling aan ozon in 2020 op eenzelfde niveau ligt als in 2000: 340 doden per jaar. Bij maximum emissiereducties zoals beschouwd in het GAINS model, wordt het aantal voortijdige doden geschat op 300, een afname van 12%. Onzekerheden in deze cijfers zijn groot. Zo geven schattingen gebaseerd op de waargenomen concentraties aan dat in Nederland per jaar circa enkele duizenden mensen enkele dagen tot maanden vervroegd overlijden.
  •  
Referenties en relevante info

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ozonconcentraties op leefniveau

Omschrijving

Geïnterpoleerde ozonconcentraties op landelijke schaal relevant voor de volksgezondheid

Verantwoordelijk instituut

RIVM/Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Berekeningswijze

Het jaar- en driejaargemiddelde aantal dagen met hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentraties boven de 120 µg/m3 zijn gebaseerd op metingen op de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Voor de berekening van de blootstelling is gebruik gemaakt van de beschikbare waarnemingen op regionale stations. De ozonconcentraties in agglomeraties liggen iets lager dan in de regio. Het gebruik van waarnemingen op regionale stations bij het beschrijven van de blootstelling in agglomeraties zal daarom leiden tot een lichte overschatting van de blootstelling.

Basistabel

RIL+

Geografisch verdeling

Kaart Nederland geïnterpoleerd op basis van regionale meetpunten

Verschijningsfrequentie

1x per jaar

Opmerking

Medio 2011 zijn de ozonmonitoren in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit vervangen door nieuwe monitoren. Bij deze vervanging is gebleken dat de nieuwe monitoren circa 10% hogere concentraties aangeven dan de oude. Meetwaarden die zijn verkregen met de oude monitoren, zijn daarom met terugwerkende kracht gecorrigeerd. De trendlijnen wijken dan ook af van de lijnen die in voorgaande jaren zijn gepresenteerd. Een rapport over de correctie en de onderliggende argumentatie is in voorbereiding.

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina: CBS, PBL, Wageningen UR (2013). Ozon in lucht en volksgezondheid, 1990-2012 (indicator 0238, versie 14, 29 oktober 2013). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

Deel deze pagina: