printPDF

Verwerking van afval van huishoudens, 1985-2010

Na 2000 is het storten van afval van huishoudens sterk afgenomen en is meer afval nuttig toegepast. In 2010 werd 79 procent nuttig toegepast (inclusief verbranden met energie opwekking), 20 procent verbrand en 1 procent gestort of geloosd.

Verwerking afval van huishoudens
Download figuurdata (MS Excel formaat)

Storten

In de jaren negentig van de vorige eeuw neemt het storten als verwerkingsmethode van huishoudelijk afval sterk af. In 2003 wordt nog maar 6 procent van het huishoudelijk afval gestort (vergelijk 1990: 53 procent).
Medio 2005 wordt in Duitsland een stortverbod ingesteld waardoor er minder afval naar Duitsland is geëxporteerd. Omdat in Nederland de verbrandingscapaciteit nagenoeg volledig werd benut heeft dit Duits stortverbod geleid tot een groei van de hoeveelheid gestort afval in 2005 en 2006. Als gevolg van een uitbreiding van de verbrandingscapaciteit is de hoeveelheid gestort afval na 2007 weer afgenomen. In 2010 wordt nog maar 0,8 procent van het huishoudelijk afval gestort.

Verbranden

Door de ingebruikname van enkele nieuwe afvalverbrandingsinstallaties neemt de hoeveelheid verbrand huishoudelijk afval tussen 1995 en 1997 toe van 1,9 naar 3,3 miljard kg. In de periode erna is er nog een langzame groei tot 4 miljard kg in 2009.
In 2010 laat de verwerkingswijze "verbranden" een scherpe daling zien. Oorzaak van deze daling is een wijziging in het Landelijk Afvalstoffenplan (LAP) in 2010, waarbij een aantal afvalverbrandingsinstallaties de zogenaamde R1-status krijgt. Deze installaties voldoen aan bepaalde criteria voor wat betreft de energie-efficiëntie bij het verbranden van afval. De hoeveelheid in deze installaties verwerkt afval wordt daarmee niet tot de verwerkingswijze "verbranden" toegedeeld maar tot "nuttige toepassing". In 2010 wordt nog maar 20 procent van de totale hoeveelheid huishoudelijk afval verbrand (in installaties zonder R1-status). Per 1 januari 2011 krijgen alle Nederlandse afvalverbrandingsinstallaties de R1-status en daalt als gevolg daarvan het percentage "verbranden" naar 0 procent.

Nuttige toepassing

De verwerkingswijze "nuttige toepassing" omvat composteren, recycling en "overige nuttige toepassing" (onder andere het verbranden van afval met energieopwekking). De hoeveelheid nuttig toegepast huishoudelijk afval neemt na 1990 geleidelijk toe. Begin jaren negentig is dit vooral het gevolg van het verplicht stellen van de gescheiden inzameling van gft. In 2002 en 2003 groeit het aandeel nuttige toepassing door de ingebruikstelling van enkele scheidingsinstallaties. Mede hierdoor daalt het aandeel gestort afval in 2003 sterk.
De sterke toename van de hoeveelheid "nuttige toepassing" in 2010 tot bijna 80 procent is een gevolg van de eerder genoemde wijziging in het Landelijk Afvalstoffenplan waardoor meer afvalverbrandingsinstallaties een R1-status kregen.

Beleid

Het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP2) (VROM, 2010) beschrijft in hoofdstuk 8 de beleidsdoelstellingen voor afval dat vrijkomt uit huishoudens. De doelstellingen omvatten het realiseren van een aandeel nuttige toepassing van 60 procent in 2015 en het beëindigen van het storten van brandbaar afval voor 2012. Meer informatie over het Nederlands afvalbeleid geeft ook de Afvalbrief van staatssecretaris Atsma (IenM, 2011).
  •  
Referenties en relevante info

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over de verwerking van afval van huishoudens is te vinden in de databank StatLine van het CBS.
Technische toelichting

Naam van het gegeven

Verwerking van afval van huishoudens

Omschrijving

Ontwikkeling van de totale hoeveelheid afval van huishoudens en van de verwerkingsmethoden 'nuttige toepassing', 'verbranden', 'storten' en 'lozen en overig'.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Berekeningswijze

Basis voor de bovenstaande gegevens zijn de jaarlijkse resultaten uit de CBS-statistiek Gemeentelijk afval (hoeveelheden). Definities van de genoemde afvalstromen en informatie over de wijze waarop de gegevens tot stand zijn gekomen zijn te vinden in het artikel Statistiek gemeentelijk afval; opzet van het onderzoek (CBS, 2004). Op basis van CBS-cijfers wordt door SenterNovem van de gemengd ingezamelde fracties die in scheidingsinstallaties worden gescheiden nog bepaald welk deel daarvan wordt verbrand, gecomposteerd, gestort, geloosd of nuttig toegepast.

Basistabel

StatLine: Gemeentelijke afvalstoffen, hoeveelheden (CBS, 2012)

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Er zijn gegevens over de diverse afvalstromen, de wijze van inzameling en de inzamelende instantie. De gegevens zijn beschikbaar voor Nederland, per provincie, per gemeente, naar mate van stedelijkheid van de gemeenten en naar grootte van de gemeenten.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks.

Achtergrondliteratuur

Statistiek gemeentelijk afval; opzet van het onderzoek (CBS, 2004).

Opmerking

De gegevens over huishoudelijk afval in het Compendium voor de Leefomgeving wijken af van die het CBS publiceert in de databank StatLine (CBS, 2012). Dit verschil komt door:
- In de StatLine tabel worden gegevens gepresenteerd naar de eerste be- of verwerkingsmethode. In bovenstaande grafiek staan de cijfers ingedeeld naar de definitieve wijze van verwerken. Een deel van het gemengd ingezamelde afval wordt namelijk achteraf gescheiden in scheidingsinstallaties. Na deze behandeling wordt een deel van het afval nuttig toegepast en de rest verbrand, gestort of geloosd. Geloosd huishoudelijk afval betreft afvalwater dat vrijkomt bij de verwerking in afvalscheidingsinstallaties en water dat daar verdampt is naar de lucht. Composteren is ingedeeld bij nuttige toepassing.
- Het afval dat door derden is ingezameld: dit afval (vooral wit- en bruingoed dat via de detailhandel is ingezameld en oud papier en karton) is wel in het Compendium voor de Leefomgeving inbegrepen maar niet in de cijfers in de StatLine-publicatie.
- Het verbouwingsafval (onder andere puin, hout, metalen en vlakglas).

Al het door gemeenten ingezamelde verbouwingsafval wordt meegeteld in de StatLine-publicatie. Voor het bepalen van de cijfers in het Milieu- en Natuurcompendium is maar een deel van dit verbouwingsafval toegedeeld aan het afval van huishoudens. Reden daarvoor is dat een deel van dit afval eigenlijk bedrijfsafval is, vooral afkomstig van aannemersbedrijven. In het verleden is tussen het RIVM en CBS afgesproken dat 50 procent van het verbouwingsafval aan het huishoudelijk afval wordt toegerekend. In het onderzoek over 2003 is navraag gedaan naar het acceptatiebeleid van verbouwingsafval van bedrijven door gemeenten. Daaruit bleek dat gemiddeld ongeveer 15 procent van het door de gemeenten ingezameld verbouwingsafval afkomstig is van bedrijven. Dit is beduidend minder dan de 50 procent die tot nu toe werd gehanteerd. Gezien dit verschil is in overleg tussen het Ministerie van VROM, Uitvoering Afvalbeheer en het CBS afgesproken om met terugwerkende kracht dit percentage te laten zakken van 50 naar 15 procent. Voor 2000 en eerder wordt het oude percentage van 50 procent gehanteerd. In 2001, 2002 en 2003 daalt dit percentage naar respectievelijk 40, 30 en 20 procent. Voor 2004 en later wordt 15 procent van het verbouwingsafval niet aan het huishoudelijk afval toegerekend. De gegevens vanaf 2006 zijn herberekend en vertonen als gevolg hiervan soms kleine verschillen met de waarden die in de vorige versie van deze indicator zijn gepubliceerd.

Betrouwbaarheidscodering

B (schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is)

Referentie van deze webpagina: CBS, PBL, Wageningen UR (2012). Verwerking van afval van huishoudens, 1985-2010 (indicator 0392, versie 09, 3 oktober 2012). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

Deel deze pagina: